Vijftig vrouwelijke kunstenaars worden in dit boek aan het brede publiek voorgesteld. De creatieve dames blonken in hun tijd uit in schilderkunst, knipkunst, beeldhouwwerk, kant- en borduurwerk en botanische illustraties. Onder hen heel wat kunstenaars waarvan de werken door de adel en hogere burgerij zeer gegeerd waren. Diverse auteurs belichten de rol van die vrouwen in hun leefomgeving. Zo blijkt dat de vrouwelijke schilders en beeldhouwers meestal opgroeiden in een artistieke omgeving waarin de vader of een broer reeds een schildersloopbaan uitgebouwd hadden. Ze kregen letterlijk kunstonderwijs aan huis.
Ook sommige Antwerpse geestelijke dochters kwamen uit zulke begoede, artistieke milieus. Ze maakten werken met een religieuze symboliek, getuigend van hun spiritueel leven. Sommigen grepen de kans om hun schilderwerken te signeren. Zoals Catharina Ykens deed. Ze signeerde met haar naam en vulde aan met ‘filia devota’ of ‘geestelijke dochter'. De auteur van dit hoofdstuk doet een oproep tot verder onderzoek naar het verschijnsel van geestelijke dochters.
Kantwerksters en borduursters kwamen voornamelijk uit de lagere bevolkingsgroepen. Spijtig genoeg bleven hun werken meestal anoniem. Gelukkig kunnen we in deze uitgave terugvallen op een aantal schilderijen waarop handwerksters, tijdens het maken van hun handwerken, staan afgebeeld. Uniek is de vijfdelige prentenreeks ‘vijf vrouwelijke bezigheden’ van Geertruyd Roghman waarin de huisvrouw bezig is met onder andere spinnen, naaien en schoonmaken. Als een soort eerbetoon aan de hardwerkende 17e-eeuwse huisvrouw.
Deze uitgave staat boordevol prachtige werken, zoals de mooie bloemstillevens van de Amsterdamse Catharina Backer, en voorbeelden van knipkunst van Joanna Koerten uit de Noordelijke Nederlanden. Een uitstap naar de Sint-Pieter-en-Pauluskerk in Mechelen is alleen al de moeite waard om het beeld ‘Maria met kind’ te zien van de Mechelse beeldhouwer Maria Faydherbe.
Een quizvraag in de categorie ‘Historiek’ zou kunnen zijn: Wie was de eerste Europese vrouwelijke kunstenaar die een zelfportret schilderde? Het antwoord uit ons collectief geheugen zou moeten zijn: de Antwerpse Catharina van Hemesen in 1548! Deze iconische eerste verdient een paginagrote foto in dit boek. In plaats van de minuscule afbeelding die er nu in is opgenomen.
Anna Maria van Schurman is een andere opmerkelijke kunstenares. Zij was de allereerste vrouwelijke student aan de Utrechtse universiteit. Van achter een gordijn moest ze de lessen volgen van letteren en geneeskunde.
De waarde van goederen wisselt enorm in de loop der tijden. In de 17e eeuw waren schilderijen veel goedkoper dan juwelen, kleding, wandtapijten en boeken. Vooral kantwerk, borduurwerk én knipwerk waren alleen betaalbaar voor de meest bemiddelden. Joanna Koerten ontving voor een textielwerk 4.000 gulden terwijl aan Rembrandt 1.600 gulden betaald werd voor zijn Nachtwacht. Zo gaf de Henriëtta Maria van Frankrijk, koningin van Engeland, Schotland en Ierland 600 pond uit aan een geborduurde rok met vest, en 60 pond voor haar portret van de Vlaamse barokschilder Antoon van Dyck.
Dit boek geeft de vrouwelijke kunstenaars de plek die ze verdienen. Het staat vol prachtige werken, mét uitgebreide achtergrondinformatie over de vrouwen en hun leefomgeving in de 17e eeuw. Wie interesse heeft in eeuwenoude handwerken kan terecht in het Museum Kunst en Geschiedenis in Brussel. Ook goed om weten is dat het MSK, het Museum voor Schone Kunsten Gent, een online lexicon gaat samenstellen van de Belgische vrouwelijke kunstenaars van de periode 1400 tot 1800.