In een slaperig IJslands stadje, een groot dorp eigenlijk, gebeurde zelden wat. Tot in 1967 Stina verdween, een tiener nog. Het enige spoor dat ze achterliet is een bebloede jas, gelegen aan de kant van de weg. Tien jaar later is haar zusje Marsi, twee jaar jonger op het ogenblik van de feiten, nog steeds op zoek naar haar zus. Tot ongenoegen van haar wat slome ouders.
Ergens voelt Marsi zich ook schuldig. Enige tijd voor Stina's verdwijning was zij beginnen corresponderen met een jongen. Omdat Marsi zichzelf niet wilde prijsgeven in die pennenvriendschap deed ze zich in die brieven voor als haar oudere zus. Uitgerekend op de avond van de verdwijning had Marsi voor 't eerst afgesproken voor een ontmoeting met haar pennenvriend. Maar moeders' wil is wet en Marsi moet thuis blijven.
Ook ontevreden over het politie-onderzoek van de verdwijning van Stina probeert Marsi zelf aanknopingspunten te vinden. Andere historische gebeurtenissen in het stadje, zowel als haar eigen kwelduivels leiden aanvankelijk tot weinig vordering. De auteur leidt de lezer dan omzichtig naar het moment van de ontknoping. Of is dat dan toch niet het geval?